Objectenbomen
Communicatie tussen disciplines in de bouw kan sterk worden
verbeterd door effectieve inzet van Informatie- en CommunicatieTechnologie
(ICT). Hier wordt dan ook al vele jaren onderzoek naar gedaan.
Dit onderzoek heeft echter tot op heden nauwelijks geleid
tot praktisch toepasbare resultaten.
Op deze plaats een bottom-up-benadering gepresenteerd die
zich richt op eenvoudig ontwikkeling van projectinformatiesystemen.
De benadering is gebaseerd op eenvoudige decompositiebomen
van de fysieke objecten die worden ontworpen en gebouwd:
objectenbomen.
1 Communicatie in de bouw
De bouw staat de komende jaren voor grote uitdagingen.
Er ligt een grote hoeveelheid werk te wachten, inclusief
een aantal zeer grote projecten. In Nederland bijvoorbeeld
de uitbreiding van Schiphol, de tweede Maasvlakte, de
Betuweroute, de HSL en andere grote spoorprojecten. Bij
dergelijke projecten, maar ook bij kleinere, worden steeds
hogere eisen gesteld aan de beheersing van kwaliteit,
tijd en kosten.
Van oudsher wordt de bouw gekenmerkt door wisselende
samenwerkingsverbanden tussen verschillende disciplines
van verschillende organisaties. Daarbij is de communicatie
tussen disciplines een kritische succesfactor. Bij het
streven naar betere beheersing van kwaliteit, tijd en
kosten richt men zich dan ook in belangrijke mate op verbetering
van de onderlinge communicatie.
De laatste jaren zijn een aantal ontwikkelingen te herkennen
die zijn gericht op het verbeteren van de communicatie
tussen disciplines, zoals: nieuwe contractvormen, Design
& Construct, Turnkey, e.d., classificatie en codering,
prestatie-benadering, systeembenadering.
Nieuwe contractvormen
Op dit moment staan nieuwe contractvormen voor aanbesteding
zeer in de belangstelling, zoals Design & Construct
en Built - Operate - Transfer. De achterliggende gedachte
is om de capaciteiten van de verschillende partijen zo
goed mogelijk te gebruiken. Onder andere. door ervoor
te zorgen dat oplossingen worden ontwikkeld en risico's
worden beheerst door de partijen die dit het beste kunnen.
Classificatie en codering
Classificatie of identificatie is het onderscheiden
van (object)klassen; codering is het toekennen van codes
aan deze klassen. Het bekendste voorbeeld is SfB. Oorspronkelijk
richtte classificatie in de bouw zich vooral op gebouwelementen.
Later is men classificaties gaan uitbouwen met bijv. werksoorten
naast elementen (zie STABU), met verschillende decompositieniveaus,
met bibliotheekstructuren, etc. In wezen gaat het daarmee
niet meer over classificatie maar over gebouwmodellering,
zie verder.
Prestatiebenadering
Bij de prestatiebenadering gaat het erom dat de bouwopgave
wordt omschreven in termen van kwantificeerbare, geëiste
en gewenste prestaties, in plaats van in termen van voorgeschreven
oplossingen.
Systeembenadering
De systeembenadering houdt eenvoudig gezegd in dat
het te leveren product wordt beschouwd als een verzameling
systemen, die een bepaalde prestatie moeten leveren. Bijvoorbeeld
een ruimtesysteem, een draagsysteem of een verwarmingssysteem.
Ontwikkelingen als hierboven omschreven hangen sterk met
elkaar samen. Bijvoorbeeld: Design & Construct vraagt
om een prestatiegericht programma van eisen; en het ligt
voor de hand om hierbij uit te gaan van eisen aan te onderscheiden
systemen.
2 ICT in de bouw
Bij communicatie in de bouw speelt uiteraard ook Informatie-
en CommunicatieTechnologie (ICT) een belangrijke rol.
Als de stand van zaken met betrekking tot ICT in de bouw
wordt beschouwd, dan kan worden vastgesteld dat deze voornamelijk
is gebaseerd op CAD-systemen (tekensystemen) en uitwisseling
van CAD-data. Daarbij is, in zeer bescheiden mate, sprake
van integratie met CAE-systemen (rekenprogramma's), besteksprogramma's
etc.
CAD-systemen en CAD-data zijn echter fundamenteel beperkt
doordat het onderliggende werkproces, het tekenen, niet
anders is dan vroeger. Bouwkundige informatie wordt weergegeven
als geometrische informatie. De betekenis hiervan is impliciet
vastgelegd en moet worden teruggevonden door menselijke
interpretatie. Een verzameling lijntjes op een tekening
wordt slechts door interpretatie van een bouwkundige herkend
als een kolom.
Al geruime tijd geleden is men gaan zoeken naar een betere
benadering waarbij ontwerpgegevens betekenisvol kunnen
worden vastgelegd en uitgewisseld. Daarbij wordt een kolom
niet als een groep lijntjes beschreven, maar als een object
met de naam kolom en verder met vorm, materiaal, etc.
Dit idee is de achtergrond van wat nu productmodelleren
wordt genoemd. Het besef dat de gebruikte begrippen uniek
gedefineerd zouden moeten zijn leidde vervolgens in de
jaren tachtig tot de ontwikkeling van de STEP-standaard,
officieel ISO 10303.
Het doel van STEP was (en is) het komen tot een standaard
voor het vastleggen en uitwisselen van betekenisvolle
productgegevens: niet alleen geometrie maar ook gegevens
over materiaal, verbindingen, productstructuur, constructieve
en fysische eigenschappen etc. Dit initiatief richtte
zich niet specifiek op de bouw, maar mondde uit in een
reeks van initiatieven en projecten voor verschillende
industrieën. Uiteraard hangt de STEP-ontwikkeling
sterk samen met ICT-concepten en ontwikkelingen hierin.
Tot dusverre is het doel van STEP maar gedeeltelijk bereikt.
Er is een generieke basis (de zgn. generic resources)
waar echter de nodige discussiepunten over bestaan. Voor
andere industrieën dan de bouw zijn specifieke standaards
ontwikkeld, bijvoorbeeld voor de procesindustrie, de scheepsbouw
en de auto-industrie. Deze standaards zijn verschillend
in opzet en mede daardoor niet compatibel met elkaar,
ondanks het bestaan van de generieke basis.
Voor de bouw is er na al die jaren nog steeds geen algemeen
aanvaarde en gebruikte STEP-standaard. Hoe komt dat? Waarom
lukt het niet om een internationale, breed gedragen, krachtige
standaard voor de bouw te ontwikkelen? Verschillende factoren
spelen een rol:
- het veelal kleinschalige, lokale dan wel nationale
karakter van de bouwbranche, zonder dominante partijen,
waardoor het moeilijk is om te komen tot branche-afspraken,
- het internationale karakter van de IT-branche waardoor
het extra moeilijk is om te komen tot IT-ondersteuning
van standaards voor de bouw,
- het bestaan van diverse IT-benaderingen voor ondersteuning
van de standaard, en (vooral) het steeds weer ontstaan
van nieuwe benaderingen.
Een recentere ontwikkeling op dit gebied is de ontwikkeling
van Industry Foundation Classes (IFCs) door de International
Alliance for Interoperability (IAI). Dit zijn in wezen
gestandaardiseerde CAD-objecten die zowel geometrische
als betekenisvolle productinformatie bevatten. De IAI
die deze ontwikkelt is een consortium van CAD-leveranciers
zoals Autodesk, Bentley, Nemetschek e.a. Deze ontwikkeling
heeft duidelijk voordelen boven de STEP-ontwikkelingen,
o.a. doordat deze getrokken wordt door de CAD-leveranciers.
Maar ook de IFCs komen uiterst langzaam tot stand.
3 Uitgangspunten voor verbetering
Bij het zoeken naar een benadering om communicatie en
informatie-uitwisseling te verbeteren kan worden gekeken
naar verschillende ontwikkelingen:
(1) basistechnologieën, en (2) nieuwe concepten voor
communicatie in de bouw.
Basistechnologieën
Voor de basistechnologieën komen we in eerste instantie
uit bij STEP. Binnen STEP zijn modelleertalen ontwikkeld
(in het bijzonder EXPRESS), en zijn verschillende implementatieprincipes
uitgewerkt. Het uitgangspunt van STEP is goed: betekenisvolle
gegevensuitwisseling met behulp van een open standaard.
In de uitwerking voor de bouw schiet STEP echter tekort.
Het standaardisatieproces verloopt uiterst moeizaam, mede
door het voortdurende gebrek aan capaciteit en financiële
middelen. Daarnaast blijkt de IT-basis niet (meer) de
meest effectieve en worden ontwikkelingen achterhaald
door nieuwe IT-benaderingen.
Dit heeft geleid tot verschillende alternatieven en aanvullingen.
Bijvoorbeeld het ondersteunen van functies en gedrag met
de objectgeörienteerde CORBA-technologie. In het
ESPRIT-project VEGA is recentelijk gewerkt aan de toepassing
van CORBA in combinatie met STEP voor ondersteuning van
werkstroombeheersing (workflow management) in bijvoorbeeld
de bouw.
Een andere trend is aan te duiden als 'the minimal approach'.
In deze benadering wordt het gegevensmodel tot een minimum
beperkt om zo te komen tot een handzaam formaat voor gegevensuitwisseling
in de bouw. Uitwerkingen van deze benaderingen hebben
zich gericht op gebouwgeometrie (Tarandi) en op integratie
met EDI (de Vries).
De meest belovende ontwikkeling in de sfeer van basistechnologieën
is echter de verdere ontwikkeling van internet-technieken,
in het bijzonder met XML.
Wat betreft nieuwe concepten voor communicatie in de bouw
is de zogenaamde viewbenadering van belang. Deze benadering
gaat uit van de vaststelling dat partijen in de bouw verschillende
disciplines vertegenwoordigen die elk een eigen invalshoek
op ontwerpinformatie hebben. Als gevolg daarvan hebben
zij elk een eigen informatiebehoefte, die ondersteund
moet worden met specifieke gegevensverzamelingen (te beschrijven
in zgn. viewmodellen). Voor communicatie in de bouw betekent
dit dat viewconversie ondersteund moet worden.
Ook de viewbenadering is op verschillende manieren uitgewerkt.
Voor de bouw het verst in het ESPRIT-project ATLAS (1991-1994).
Het grote probleem bij de view benadering, zoals in het
ATLAS-project geconstateerd, is dat de relaties tussen
de diverse, viewafhankelijke informatiemodellen (de viewconversie)
te ingewikkeld worden, waardoor implementatie en onderhoud
van de conversie-software te kostbaar wordt.
4 Probleemstelling
Terugkijkend kan worden vastgesteld dat de STEP-benadering
voor neutrale, betekenisvolle gegevensuitwisseling op
zich een goede benadering is en noodzakelijk om communicatie
in de bouw verder te brengen. Maar bij het komen tot toepasbare
resultaten bestaan enkele grote valkuilen:
- verzanden in te ingewikkelde informatiemodellen, waardoor
van implementatie en toepassing weinig terecht komt.
- kiezen voor een informatietechnologie die na verloop
van tijd achterhaald wordt door nieuwe ontwikkelingen,
- te grote verwachtingen van standaardisatie, branche-afspraken
e.d.
Hoe dan wel ?
Hoe dan wel? Zoals gezegd is het uitgaan van neutrale,
betekenisvolle productinformatie een voorwaarde voor verbetering.
Met oplossingen gebaseerd op CAD-systemen alleen komen
we er niet. Maar verder moet vooral worden gestreefd naar
eenvoud. Tenslotte is het zinvol om te streven naar ondersteuning
van het projectmanagement; het projectmanagement kan er
immers voor zorgen dat nieuwe communicatieconcepten snel
ingevoerd kunnen worden.
De vraag die dit onderzoek wil beantwoorden is
daarom:
Hoe kan een benadering voor interdisciplinaire communicatie
in grote bouwprojecten worden ontwikkeld, die neutraal,
pragmatisch en bottom up is en in elk geval zorgt voor
ondersteuning van het projectmanagement?
5 Objectenbomen
Om de hierboven gestelde onderzoeksvraag te beantwoorden,
is het zaak pragmatisch en bottom-up te werk te gaan.
Hierbij zijn een aantal 'automatismes' van STEP-gerelateerde
projecten ter discussie gesteld. Dit heeft geleid tot
een benadering die we zullen aanduiden als de objectenboom-benadering.
Hieronder worden puntsgewijs de belangrijkste kenmerken
van de objectenboom-benadering aangegeven.
- Een objectenboom is een instantiemodel
- Objecten zijn functievervullers
- De objectenboom is een decompositieboom
- De objectenboom beperkt zich tot een minimum aan relaties
- Voor vormbeschrijving wordt verwezen naar CAD-tekeningen
Een objectenboom is een instantiemodel
Of in gewoon Nederlands: een objectenboom beschrijft
een enkel ding, geen klasse van dingen. Eén van
de hierboven aangeduide 'STEP-automatismes' is het beginnen
bij een zogenaamde type-model, een model dat een bepaalde
klasse van objecten beschrijft, bijvoorbeeld gebouwen,
wegen of viaducten. De objectenboom-benadering gaat echter
uit van het exemplaar. Met andere woorden: de objectenboom
is een instantiemodel, geen typemodel. Hierdoor wordt
voorkomen dat de ontwikkeling van het typemodel zo langdurig
en ingewikkeld wordt dat de ontwikkeling van instantiemodellen
niet uit de verf komt. Dit was één van de
grote problemen bij de STEP-gerelateerde projecten in
het begin van de jaren '90.
Objecten zijn functievervullers
De 'bouwstenen' van een objectenboom zijn de objecten.
Als objecten worden beschouwd: fysieke dingen die een
functie vervullen. Deze functie kan zijn het leveren van
een bepaalde geëiste prestatie, vastgelegd in een
programma van eisen.
Op deze wijze is de objectenboom te beschouwen als een
oplossingsboom, waarbij tevens wordt vastgelegd voor welke
functies de objecten een oplossing zijn.
De objectenboom is een decompositieboom
Zoals de aanduiding 'boom' suggereert heeft de objectenboom
een hiërarchische structuur. Nu zijn er vele manieren
om hiërarchie aan te brengen in een productstructuur.
De objectenboombenadering streeft echter naar eenvoud
en kiest daarom voor één hiërarchisch
principe: decompositie ('bestaat-uit').
Echter, ook met decompositie kan met nog verschillende
kanten uit. De twee basisprincipes zijn:
- subsysteem- decompositie, d.w.z. decompositie naar vorm
en plaats,
- aspectsysteem-decompositie, d.w.z. decompositie in objecten
met een gemeenschappelijke rol.
Beide decompositieprincipes zijn nodig en maken daarom
deel uit van de objectenboombenadering. De relatie tussen
beiden is echter complex, en wordt daarom niet vastgelegd
in de objectenboom.
De objectenboom beperkt zich tot een minimum aan relaties
Relaties tussen objecten is wederom een onderwerp dat
kan leiden tot complexe modelstructuren. Daarom wordt
voor objectenbomen een minimum aan soorten relaties gehanteerd.
Allereerst de twee soorten decompositierelaties als hierboven
omschreven. Daarnaast alleen nog fysieke raakvlakken.
En dus geen functionele, logische of andersoortige relaties.
Voor vormbeschrijving wordt verwezen naar CAD-tekeningen
Ook voor het opnemen van vormbeschrijving bestaan vele
methoden, die echter meestal ook leiden tot zeer complexe
modellen. Ook hierbij wordt daarom gekozen voor eenvoud,
en wel door te verwijzen naar CAD-tekeningen.
6 Implementeren van objectenbomen
Door de eenvoud van de benadering kan ook de implementatie
van de objectenboom met ondersteunende software eenvoudig
worden gehouden. Het kan zelfs met systemen als Excel
en Access, maar levert dan weinig ondersteuning op het
gebied van gegevensbeheer en -onderhoud, c.q. user interface.
Een beter maar duurder alternatief is één
van de vele PDM-systemen die op de markt zijn. In de nabije
toekomst zullen vooral nieuwe besturingssystemen en internetsoftware
de mogelijkheden voor softwareondersteuning verder vergroten.
7 De HSL case
Bij het HSL-project is de hierboven beschreven benadering
in grote lijnen toegepast in de zogenaamde HSL-objectenboom.
Dit heeft geleid tot een boomstructuur met bovenin uiteraard
de HSL-spoorlijn. Deze decomponeert in een paar stappen
tot enkele duizenden HSL-objecten, zoals bruggen, viaducten,
duikers, geluidsschermen, te verleggen kabels en leidingen
etc.
Eigenlijk is de HSL-benadering nog eenvoudiger geweest
dan de hier gepropageerde benadering. Zo zijn onder andere
de functionele kant van objecten, de aspectsysteem-decompositie
en het vastleggen van fysieke raakvlakken in de HSL maar
gedeeltelijk uitgewerkt. De implementatie van de HSL-objectenboom
is gedaan met achtereenvolgens Excel, Access en het PDM-systeem
SmarTeam.
Uit het HSL-project kan worden geconcludeerd dat ook een
simpele aanpak al snel te moeilijk is. Wellicht is de
indruk ontstaan dat de decompositiestructuur in een dag
of wat tot stand is gekomen. In werkelijkheid zijn er
vele uren van vele mensen in gaan zitten, vooral vergaderuren.
Ook ten aanzien van implementatie bleek een voor de hand
liggende conclusie soms maanden te vergen.
Toch kan de HSL-objectenboom al met al worden beschouwd
als een bijdrage aan betere communicatie in een groot
bouwproject op basis van betekenisvolle product/objectgegevens.
8 Conclusies
- De belangrijkste conclusies zijn:
- Voor verbetering van de communicatie in de bouw is het
betekenisvol vastleggen en uitwisselen van productgegevens
een voorwaarde.
- De ontwikkeling van methoden en technieken voor betere
communicatie in de bouw mislukt gemakkelijk door te ingewikkelde
informatiemodellen, ongelukkige ICT-keuzes en tegenvallende
standaardisatie-ontwikkelingen.
- Door uit te gaan van een zogenaamde objectenboom kan
in relatief korte tijd een eenvoudige maar complete gegevensstructuur
voor een bouwproject worden ontwikkeld, en daarmee een
basis voor betere communicatie.
Zo'n objectenboom moet voldoen aan de volgende criteria:
- bottom-up-ontwikkeling: eerst de objecten (instanties),
later de klasses,
- objecten als fysieke dingen die een functie vervullen,
- een decompositiestructuur, met zowel subsysteem-decompositie
(naar plaats) als aspectsysteem-decompositie (naar rol);
geen andere hiërarchische structuren,
- verder slechts één soort relatie: de
fysieke raakvlakrelatie,
- vormbeschrijving door verwijzing naar CAD-tekeningen.
Zo'n objectenboom is relatief snel te ontwikkelen, en
bovendien eenvoudig en snel te implementeren, desgewenst
in commercieel verkrijgbare PDM-software.
- De objectenboombenadering kan als volgt worden uitgebouwd:
- (verder) ontwikkelen van classificatieafspraken voor
objectnamen en objecttypes,
- (verder) ontwikkelen van bibliotheken van standaardobjecten,
maar ook van standaard productiemiddelen en processen.
- ontwikkelen van managementmethoden op basis van de
objectenboom, zoals interfacemanagement en risicomanagement,
- generalisatie van de objectenboom tot een typemodel.
dr Sander van Nederveen
Lit 1: Eerder verschenen als samenvatting van het
proefschrift 'Object Trees-Improving Electronic Communication
between Participants of Different Disciplines in large-scale
Construction Projects', ISBN 9013619-3.
Terug aar inhoudsopgave.
Heeft u commentaar of suggesties ?
Mailt u het dan aan: cur@cur.nl