|
9 januari 2003
Innovatie moet in het DNA van onze economie
In twee jaar tijd heeft Nederland een duikvlucht gemaakt
op de ranglijst van concurrerende economieën. Van de
derde naar de vijftiende plaats. Een staatssecretaris wil
daar wat aan doen.
De kranten hebben de laatste tijd bericht over bedrijven
die hun researchactiviteiten verleggen, omdat het klimaat
voor innovatie verslechtert. Overheid, bedrijfsleven en
kennisinstellingen moeten dat gezamenlijk veranderen en
ervoor zorgen dat innovatie in het DNA van onze economie
komt.
We willen een jaarlijkse economische groei van zo'n 3 procent.
Dat lukt niet door meer mensen in het arbeidsproces te betrekken,
want door vergrijzing en ontgroening slinkt onze factor
arbeid. Wel door de arbeidsproductiviteit te verhogen en
hoogwaardige producten en diensten te ontwikkelen waar je
veel geld voor kunt vragen. Sleutel hierbij is: innovatie.
Het Nederlandse Gigaport is een prachtig bewijs. Het is
een zeer geavanceerd breedbandnetwerk voor onderzoek, ontwikkeling
en onderwijs. In 1998 gaf het hoger onderwijs aan voor toponderzoek
een snellere internetverbinding nodig te hebben met meer
breedbandcapaciteit. Concurrentiedruk veroorzaakte dezelfde
behoefte bij bedrijven. De overheid bracht universiteiten
en bedrijven bij elkaar en stortte 64,5 miljoen euro in
de pot, het bedrijfsleven zelfs 79 miljoen.
Dat leverde een supersnel internet op, dat buitenlandse
bedrijven aantrekt. Intel kwam hier om de Amsterdam Internet
Exchange te gebruiken. IBM heeft zijn laboratorium uitgebreid
met next generation internetdiensten. En Amerikaanse en
Canadese kennisinstellingen werken intensief samen met Nederlandse.
Maar het gaat ook anders. Bij biotechnologie bijvoorbeeld.
De overheid investeert 250 miljoen euro in het genomics
onderzoek en startende life sciences bedrijven. Ook hier
een gedeelde visie van overheid, bedrijfsleven en kennisinstellingen.
Maar de overheid schiet niet op met vergunningen voor proefveldjes
met genetisch gemodificeerde gewassen. Dan kan de ontwikkeling
van nieuwe toepassingen van plantenveredeling gewoon niet
verder. Ook het invoeren van de Europese richtlijn voor
biotech-octrooien verloopt traag. En dan is het logisch
dat bedrijven en investeerders de investeringen niet kunnen
doen.
Dat mag niet. Innovatie is een maatschappelijke prioriteit.
Die moet worden toegevoegd aan de rij van belangrijke onderwerpen
als veiligheid, onderwijs en zorg.
Als Nederland in de internationale concurrentiestrijd op
de been wil blijven, moeten we specialiseren. Vertaald naar
innovatie betekent dit voor de overheid een radicale verandering.
We moeten een punt zetten achter het subsidiëren op
basis van verdelende rechtvaardigheid. We moeten kiezen.
En extra middelen inzetten op technologische speerpunten
die een veelbelovend economisch potentieel hebben. Bijvoorbeeld
ict, biotechnologie, nanotechnologie of katalyse. Hiervoor
is al 805 miljoen beschikbaar gesteld, en daar komt nog
20 miljoen bij.
De versnippering bij universiteiten moet worden teruggebracht.
Ook daar moeten keuzes worden gemaakt. De technische universiteiten
hebben dat al gedaan op de gebieden telecom en micro-elektronica.
Dat moet navolging krijgen bij de bètafaculteiten
van de algemene universiteiten. Waarbij het woord 'fusie'
uit de taboesfeer moet komen.
Ik trek die lijn ook door naar de bekostiging van bèta-universiteiten.
Ik vind dat we daar prestaties en kwaliteit veel zwaarder
moeten wegen. Het geld moet verdeeld worden op competitieve
basis. Alleen op die manier kan het wetenschappelijk ondernemersschap
goed uit de verf komen, en de samenwerking tussen universiteiten
en bedrijven goed van de grond komen.
Het laatste kabinet heeft fiks bezuinigd. Ook op onderzoek.
Dat moet niet meer gebeuren. De bezuinigingen hebben wel
bijgedragen aan de noodzakelijke hervorming van ons instrumentarium.
Economische zaken brengt het aantal regelingen terug tot
één instrumentarium met zes hoofdlijnen. Onder
andere een lijn voor onderzoek bij bedrijven, een lijn voor
samenwerking tussen bedrijven enuniversiteiten en een lijn
voor technostarters. Uiteindelijk moeten ook de regelingen
van andere ministeries worden meegenomen, waaronder de aansturing
van de 2e geldstroom, de technische universiteiten en het
intermediaire onderzoeksveld. Want als kennisinstelling,
onderzoeker of technostarter mag je niet verstrikt raken
in de hulpmiddelen van de overheid.
We moeten het de innovatieve starter veel makkelijker maken.
Dat betekent: het beleid rond intellectuele eigendomsrechten
aanpassen voor ondernemende academici; kapitaalmarkten inrichten
op de behoeften van kleine hi-tech risico-ondernemers; de
administratieve lastendruk voor starters verminderen, en
de faillissementswetgeving zo aanpassen dat risico nemen
beloond wordt.
Er is momenteel een oplopend tekort aan onderzoekers. Vooral
bij natuur, techniek en gezondheid. In 2006 is er een verwachte
behoefte aan 35.400 bèta-wetenschappers. We weten
nu al dat we er zeker 2100 tekort komen. En als we echt
werk weten te maken van innovatie, dan loopt de vraag naar
bèta en technisch opgeleiden in de tienduizenden.
Het recente initiatief van de grote Nederlandse R&D-bedrijven
om 25 miljoen euro in het middelbaar onderwijs te stoppen,
is een goed begin. Maar er is meer nodig. Bedrijven moeten
bekijken hoe ze onderzoekers een aantrekkelijker carrièreperspectief
bieden. En hoe het imago van onderzoekers verbeterd wordt.
Daarbij is het starten van nieuwe researchcentra buiten
Nederland, natuurlijk geen positief signaal. De overheid,
tenslotte, moet de immigratiemogelijkheden voor kenniswerkers
van buiten de EU verruimen.
De auteur is staatssecretaris van economische zaken. Deze
tekst is een sterk bekorte versie van zijn rede tijdens
de Innovation Lecture
Joop Wijn
staatssecretaris van economische zaken
|