|
12 juni 2003
Investeren in Deltametropool loont (vindt Wim Derksen)
'Concurrentiekracht economie lijdt onder politieke instabiliteit',
zo meldde Het Financieele
Dagblad enige weken geleden. Het Institute of Management
Development uit het Zwitserse Lausanne had Nederland vorig
jaar nog op de eerste plaats gezet. Door de politieke en
sociale onzekerheid van het afgelopen jaar zakte Nederland
op de ranghjst van meest competitieve landen naar de achtste
plaats.
- Hoe moeten we deze mededeling begrijpen' ?
- Gaat het om de concurrentiepositie van onze bedrijven
?
Zijn de prijs en de kwaliteit van hun producten zodanig
dat ze succesvol met bedrijven uit het buitenland
kunnen concurreren ?
- Gaat het in algemene zin om de economische groei
van Nederland uitgedrukt in de groei van het bruto
binnenlands product (bbp) ?
- Of gaat het om de concurrentiepositie van ons land
is Nederland als vestigingsplaats concurrerend met
andere landen ?
Het mag duidelijk zijn dat het berichtje betrekking had
op de laatste vraag. De drie genoemde aspecten hebben overigens
wel veel met elkaar te maken. Door een lage economische
groei kunnen de lonen achterblijven waardoor Nederland een
aantrekkelijke vestigingsplaats kan worden voor internationale
bedrijven. En door de vestiging van internationale bedrijven
in Nederland kan de economische groei weer toenemen. Wat
bepaalt nu dat bedrijven overwegen om zich in Nederland
te vestigen?
Enkele factoren springen eruit.
Het arbeidsklimaat is van groot gewicht, even als
het functioneren van de markt en het belastingklimaat. In
Europees verband worden de verschillen hierbij echter steeds
kleiner. Denk aan de belastingen, denk aan de Europese markt.
Het zijn punten waarop Nederland zich steeds minder kan
profileren. Naast de arbeidsmarkt zijn verder vooral ruimtelijke
aspecten als de vestigingslocaties, de infrastructuur
en de logistiek van belang voor de aantrekkelijkheid van
Nederland als vestigingsplaats. Welke gebieden zijn nu werkelijk
aantrekkelijk voor internationale bedrijven? Nederland is
immers niet als zodanig concurrerend. Het gaat om regio's
binnen Nederland die om de vestiging van grote bedrijven
concurreren met andere regio s in Europa en daarbuiten Jan
Lambooy heeft vorig jaar nog eens helder in het economenblad
ESB beschreven dat hier slechts een regio een rol speelt
de Deltametropool. Terwijl de regio Amsterdam niet werkelijk
meedoet op het niveau van Londen of Frankfurt is de Deltametropool
wel een reele concurrent van deze metropolen. Dit biedt
kansen maar vraagt ook om heldere keuzen in het beleid.
Zijn we bereid om de Deltametropool als een geheel te zien
en zijn we bereid om keuzen te maken voor de Deltametropool?
De Deltametropool leeft nog steeds te weinig in politiek
Den Haag. Toen enkele weken geleden de minister van
Vrom vier stedenbouwkundige visies op de Deltametropool
in de kamercommisie presenteerde was nagenoeg de gehele
commissie afwezig. De aanwezige Adri Duyvesteijn liet weten
niets te hebben met dat begrip. Dit gebrek aan belangstelling
is te betreuren. Als met de afzonderlijke steden concurrerend
zijn maar slechts de regio als geheel zal het beleid op
die regio moeten worden ingezet. In dat verband kunnen de
kamerleden een voorbeeld nemen aan de besturen van de vier
grote steden die in toenemende mate gezamenhjk optrekken
zeker in internationaal verband. Overigens zou ook deze
samenwerking nog steviger kunnen zijn.
Hoe zou de concurrentiepositie van de Deltametropool
verder kunnen worden versterkt? Een scala aan instrumenten
is denkbaar. Laat ik me op de ruimtelijke instrumenten concentreren
De Deltametropool kampt inmiddels met een groot mobiliteitsprobleem
ook internationaal gezien. Een beter beheer van de infrastructuur
en het beprijzen van vervoer kunnen hier soelaas bieden.
Maar ook is er grote behoefte aan een nieuwe infrastructuur
die de samenhang van het gebied kan vergroten. Juist om
die reden is het te betreuren dat het Rondje Randstad zo
snel van de politieke agenda is verdwenen Een snelle verbinding
tussen de belangnjkste knopen had een belangrijke impuls
kunnen geven aan het hele gebied. Tal van varianten zijn
denkbaar. Een snelle treinverbinding tussen de centra van
de vier grote steden, een tolweg of een magneetzweeftrein.
Vooral van dit laatste voorstel ben ik erg gecharmeerd zeker
als de magneetzweeftrein goed wordt verbonden met de internationale
treinen en met de achterliggende stedelijke centra. Rondje
Randstad zal ook veel betekenen voor de tweeverdieners die
hun talenten op verschillende plaatsen ten dienste maken.
Helaas het Rondje Randstad is door een eenmalige
kosten batenanalyse gevloerd. Het was te duur. Of
liever de kosten waren hoger dan de baten. Maar hoe kunnen
we nu reeds alle de baten becijferen als we slechts weten
dat de internationale concurrentiepositie van de Deltametropool
wordt versterkt? En vielen de baten in de analyse ook niet
al te mager uit, omdat een van de aannames was dat aan de
binnenkant van de binnenring vanwege het Groene Hart niet
mocht worden gebouwd. Hoe terecht is die aanname? Moeten
we ook in dit verband met openstaan voor nieuwe ontwikkelingen
als we Nederland echt bij de tijd willen houden?
Het grootste gevaar voor de internationale concurrentiepositie
van de Deltametropool ligt echter ergens anders, namelijk
in het eeuwige Nederlandse streven om de poet gelijk te
verdelen. Terwijl een Rondje Randstad afvalt is het kabinet
nog steeds van plan een zinloze magneetzweefbaan naar het
noorden aan te leggen. Zou het niet beter zijn om van onze
kracht uit te gaan en daarbij een internationaal perspectief
aan te houden? Komt het met het hele land ten goede als
de Internationale concurrentiepositie van de Deltametropool
wordt versterkt en daarmee de nationale economische groei
ver zekerd blijft?
Wim Derksen
directeur Ruimtelijk Planbureau en hoogleraar Universiteit
Rotterdam
|