|
25 december 2002
Nieuwe bouwen van TNO te idealistisch
Dit TNO-rapport het Nieuwe Bouwen schetst wel
een heel idealistisch beeld van de toekomstige bouwsamenleving.
Het stuk gaat niet in op de conclusies van het bouwfraudeonderzoek,
maar wil los daarvan bestaande processen verbeteren.
Het rapport gaat ervan uit dat opdrachtgevers en bouwers
samen een project realiseren. Er wordt geen onderscheid
gemaakt tussen de planontwikkeling en de feitelijke realisatie.
Met die realisatie wordt voor de bouwer een zo hoog mogelijk
rendement beoogd (winst) en voor de opdrachtgever zoveel
mogelijk toegevoegde waarde (meerwaarde). De grafische presentatie
van deze elementen is heel aardig.
Dat partijen tegenstrijdige belangen hebben, wordt gemakshalve
vergeten. Wat de een voornamelijk ziet als een kostenpost,
is voor de ander een bron van inkomsten.
Het TNO-rapport suggereert dat elk project iedere keer
weer van scope verandert met een ander concept tot gevolg,
waardoor er totaal iets anders wordt gemaakt dan oorspronkelijk
beoogd. Behoudens grote, voornamelijk infrastructurele,
projecten is dat zeker niet het geval. Althans niet zodanig
dat dit ernstige gevolgen heeft.
Zowel bij de klassieke aanbesteding als bij de design
& constructopdrachten heeft een opdrachtgever
zijn vraag zorgvuldig gespecificeerd. Daar zijn elke dag
duizenden bouwmanagers en kostendeskundigen mee in de weer,
tot volle tevredenheid van honderden opdrachtgevers.
De projectscope kan binnen die projecten
wel veranderen, wat invloed heeft op het concept. Maar dit
speelt alleen maar een rol tijdens het ontwerp, waar nog
erg vaak geen bouwer bij aanwezig is.
Zodra stukken aanbestedingsgereed zijn is dat het product
dat de uitvoerende partij dient te realiseren. De suggestie
dat de vraag van de opdrachtgever, het bestek en de tekeningen,
niet correct zijn, is dus niet waar. Wel kan het zijn dat
de kwaliteit van deze stukken niet 100 procent volledig
is. Dat heeft echter niets met de projectscope te maken.
Selecteren
Helemaal onbegrijpelijk is het idee dat de beginvraag een
openingsbod is, terwijl juist het (maximale) budget voor
de opdrachtgever een houvast is. Dat budget is ingegeven
door bedrijfseconomische of andere randvoorwaarden die niet
zomaar veranderen.
Het streven moet altijd zijn een project te ontwikkelen
tegen vooraf vastgestelde specificaties en budget. Scopeveranderingen
in de voorfase kunnen leiden tot andere concepten, maar
dan ook tot andere budgetten. Maar zelfs dan zal het ontwerpteam
de vraagspecificatie voor de aannemer helemaal uitwerken.
Bij scopeveranderingen tijdens de uitvoering is er sprake
van meer en/of minder werk. Dat dit dan meer moeite kost
om een nieuw budget op te stellen dan in de voorfase, spreekt
voor zich. Dat de aannemer dan betrokken wordt bij het bepalen
van de alternatieve mogelijkheden spreekt ook voor zich.
Het TNO-rapport noemt de volgende hoofdelementen, samen
Het Nieuwe Bouwproces genoemd: het nieuwe vragen, het nieuwe
aanbieden en het nieuwe samenwerken.
Naast de eerder genoemde merkwaardige zinsneden komen hier
ook een aantal suggesties naar voren die wel het overwegen
waard zijn, zoals: het selecteren van een aannemer op procesbeheersing
en expertise in plaats van alleen op de prijs selecteren;
de aannemer de gelegenheid geven met alternatieven te komen;
de prijs beoordelen op basis van levensduurkosten en de
aannemer voor het onderhoud laten zorgdragen.
Aan het einde van dit rapport is de indruk ontstaan dat
voor de hele grote projecten in Nederland (Betuweroute en
hogesnelheidslijnen) een aantal handreikingen wordt gedaan.
Voor het overgrote deel van de werken in Nederland voegt
het rapport te weinig toe.
Waar wij het van harte mee eens kunnen zijn, is het voorstel
om een nationaal onderzoeks- en actieprogramma in te stellen
wat het aanbestedingsproces onder de loep neemt. Eerder
genoemde suggesties zijn zeker het overwegen waard. Wij
willen daarin graag participeren.
door David Meijer,
voorzitter van de Nederlandse vereniging van bouwkostendeskundigen,
kostendeskundige bij de Brink Groep.
|