|
25 februari 2005
 |
Werking actieve opvanginrichtingen
voor bliksemontladingen nog niet wetenschappelijk bewezen |
De producenten van actieve opvanginrichtingen claimen dat,
door middel van meestal één speciale
opvanger, een compleet object beveiligd is tegen
blikseminslagen. De werking zou berusten op het feit dat
door de speciale opvanger de geïoniseerde lucht boven
de opvanger of elektrische velden boven de opvanger, zodanig
worden beïnvloed dat de bliksem hierop eerder zou inslaan.
Er zijn geen wetenschappelijke onderzoeken bekend
die deze claim bevestigen, hooguit theoretische verhandelingen.
In het vakgebied worden de actieve opvangers ESE devices
(Early Streamer Emission devices) genoemd.
In fabrikantenbrochures worden deze opvangers ook wel 'geavanceerde
of verbeterde bliksembeveiligingssystemen' genoemd. Er zijn
inmiddels wetenschappelijke onderzoeken bekend die het tegendeel
bewijzen, waarbij onder meer door middel van een testopstelling
een normale opvanger naast een actieve opvanger geplaatst
is. Hieruit blijkt dat de actieve opvanger geen grotere
beveiligingsruimte biedt dan een normale opvanger. Ook zijn
praktijkonderzoeken bekend met betrekking tot objecten die
beveiligd zijn door dit soort actieve opvangers. Ondanks
deze actieve opvangers zijn de objecten beschadigd geraakt,
door blikseminslagen die naast de betreffende opvangers
zijn ingeslagen. Om deze reden neemt de internationale normcommissie
(TC 81), en ook de nationale normcommissie (NEC 81) afstand
van dit soort actieve opvangers.
Op dit moment kan NEC 81 formeel geen uitspraak doen over
de gelijkwaardigheid van dit soort actieve opvangsystemen
aan de in NEN 1014 genoemde systemen. Hierover zal eerst
uitspraak moeten worden gedaan op IEC/CENELEC-niveau. Vooralsnog
geldt dat deze actieve opvangsystemen niet voldoen aan NEN
1014. NEC 81 staat op het standpunt dat 'er geen verbod
ligt op dit soort opvangers, maar er moet dezelfde waarde
aan worden gehecht als aan normale opvangers'. Ook de wetenschap
neemt, mede naar aanleiding van de inmiddels uitgevoerde
onafhankelijke onderzoeken, zeer sterk afstand
van dit soort actieve opvangers.
Daarnaast vormen zij ook een ander technisch bezwaar. Doordat
dit soort opvangers meestal door één afgaande
leiding verbonden wordt met aarde, ontstaan er grote elektromagnetische
inductievelden in het object, is het afslaggevaar van de
bliksemstroom naar metalen delen in het object ook groter
en de stroomverdeling in de aarde is ook slechter dan bij
een normale bliksemafleiderinstallatie, waar meerdere afgaande
leidingen en aardelektroden aanwezig zijn.
Bron: Nederlands Normalisatie-instituut
|