|
13 december 2005
| 'Laat stalinistische regelgeving
los' |
|
Brink Groep-topman prof. ir. H. de Jonge hekelt overheidsbemoeienis
in de zorgbouw
Innovatieve aanbestedingsvormen en bouwcontracten zullen
in de Nederlandse zorgbouw pas enige rol van betekenis gaan
spelen vanaf het moment dat de rijksoverheid bereid is de
teugels in de wet- en regelgeving rond de bouw van ziekenhuizen
en zorgcentra enigszins te laten vieren.
"Aanbesteding van projecten in de zorgbouw op basis
van turnkey- (design-built) of BOT-contracten
(build-operate-transfer) wordt vooralsnog
in de weg gestaan door een soort stalinistische planeconomie
die de overheid alleen nog in deze specifieke bouwsector
hanteert", is de mening van prof. ir. Hans
de Jonge, directievoorzitter van de Brink
Groep en tevens als hoogleraar
verbonden aan de faculteit Bouwkunde (vakgroep Bouwmanagement
en Vastgoedbeheer) van de TU Delft. "De overheid
houdt vast aan het reguleren van vraag en aanbod in de zorgbouw,
vanuit de angst om capaciteitsoverschotten te creëren,.
De kosten die bij overcapaciteit ontstaan, zouden afgewenteld
worden op de gemeenschap en dat wil de overheid voorkomen.
Zodra marktwerking meer kans krijgt in aanbestedingen en
de daarbij behorende contracten, zal er meer belangstelling
ontstaan voor nieuwe en misschien wel heel interessante
contractvormen", aldus De Jonge.
'Verschuivende' bouwmanager
In grote lijnen onderscheidt de topman van de Brink Groep
in contracten voor (zorg)bouwprojecten vijf hoofdvormen.
Daarin signaleert hij een sterk wisselende rol voor de bouwmanager,
die van de vraagzijde bij de meest traditionele contractvorm
helemaal opschuift naar de aanbodzijde bij de meest innovatieve
contractvorm. De Jonge: "Traditioneel is dat de opdrachtgever
-in dit geval dus de zorginstelling- op zoek gaat naar een
architect. Die verzamelt adviseurs om zich heen, er komt
een programma van eisen tot stand, er wordt een ontwerp
gemaakt en als de opdrachtgever daar 'ja' tegen zegt, wordt
het project naar de markt gebracht. Bij de uitvoering heeft
de architect de supervisie over een project dat hij zelf
ontwierp. In feite heeft hij dus een dubbele pet op."
Waar voor je geld
In de volgende vorm is een scheiding aangebracht tussen
het bouwmanagement en de ontwerper. "Hier benoemt de
opdrachtgever een bouwmanager, die optreedt als gedelegeerd
bouwheer. Hij zoekt de adviseurs, waaronder een architect,
en onder zijn leiding verloopt het proces als in de eerste
vorm. Overigens liggen in deze beide contractvormen alle
risico's volledig bij de opdrachtgever."
"Vorm nummer drie is de bouwteamconstructie",
legt Hans de Jonge verder uit. "Ontstaan uit de behoefte
om vroegtijdig in het bouwproces, nog vóór
de ontwerpfase, gebruik te maken de kennis en ervaring van
de uitvoerende partij, de aannemer dus. Deze vorm houdt
wel risico's in waar het gaat om de prijsvorming. De aannemer
is immers vanaf het begin bij het project betrokken en weet
dus van de hoed en de rand. De bouwmanager moet er hier
vooral voor zorgen dat er waar voor het geld geleverd wordt."
Innovatieve vormen
De vierde contractvorm die De Jonge noemt, behoort al tot,
wat het Bouwcollege noemt, de innovatieve aanbestedingsvormen.
Juist deze vormen komen in Nederland (nog) niet vaak voor,
omdat overheidsbemoeienis met het aanbesteden in de ogen
van De Jonge nog te sterk is.
"Design-build- of turnkeycontracten,
waarbij alle verantwoordelijkheden in feite in handen van
de uitvoerende partij worden gelegd. De opdrachtgever schuift
de risico's als het ware naar voren. Er is een programma
van eisen en er is een budget. De uitvoerder moet voor dat
budget het programma van eisen volledig realiseren. Deze
vorm is met name geschikt voor opdrachtgevers die vooraf
precies weten wat ze willen. Het nadeel hier is namelijk,
dat wijzigingen tijdens het project peperduur kunnen zijn."
Ook bij een turnkeycontract is er een belangrijke rol weggelegd
voor een bouwmanager. "Die kan in dienst zijn van de
opdrachtgever, waar hij dan in de juiste keuze van de uitvoerende
partij en het maken van een goede deal daarmee zijn belangrijkste
taken heeft. Maar hij kan ook in dienst zijn van die uitvoerende
partij en heeft in dat geval de directievoering over het
project in handen."
Leasen
Interessanter zijn de Build-Operate-Transfercontracten (BOT-contracten)
die Hans de Jonge als vijfde vorm noemt. "Financieren,
bouwen, exploiteren en overdragen, daar komt deze vorm in
wezen op neer. Een ondernemer ontwikkelt, financiert, bouwt
en exploiteert een ziekenhuis of een zorgcentrum en geeft
dat voor een langere periode tegen een vaststaand bedrag
per jaar in gebruik bij een instelling. Leasen, zo kun je
het ook noemen."
Het grote voordeel van zo'n BOT-contract is dat de opdrachtgever
-dus de instelling die een huisvestingsbehoefte heeft- alle
risico's (bijvoorbeeld van budget- en tijdoverschrijdingen)
kwijt is.
"En het nadeel hier is", legt Hans de Jonge uit,
"dat de uiteindelijke gebruiker slechts een beperkte
invloed heeft op het eindresultaat. Voor aanvang van het
project heeft hij inspraak, maar daarna zijn ook in deze
contractvorm eventueel aan te brengen wijzigingen in het
project potentieel duur. Een tweede nadeel dat hier zou
kunnen spelen, zeker omdat je het hebt over zorginstellingen
waar de gang van zaken toch wat gecompliceerder is dan bijvoorbeeld
in een kantoorgebouw, is de juiste exploitatievorm van het
gebouw."
Breed takenpakket
Over de rol van de bouwmanager in deze contractvorm, zegt
De Jonge tenslotte: "De bouwmanager is hier in dienst
van de aanbieder van het BOT-contract, dus verschoven naar
de aanbodzijde.
Spreekt vanzelf dat het takenpakket van een bouwmanager
in een BOT-contract veel breder is, dan bijvoorbeeld in
een van de contractvormen van traditioneler aard. In feite
moet je concluderen dat 'de bouwmanager' niet bestaat.
Iedere vorm, iedere werkwijze kent 'een bouwmanager', die
zijn rol per contractvorm anders dient te spelen."
bron: Brink Groep
meer info: contractvormen
|